Overheid grootste greep in kas pomphouder

Het ligt nu min of meer officieel vast, wat verreweg de meeste mensen eigenlijk al weten. Het ministerie van Financiën strijkt het grootste gedeelte op van wat consumenten aan de pomp voor hun brandstof betalen. Niet de oliemaatschappijen of de leveranciers van ruwe olie, het is de overheid die vooral de kassa al hoort rinkelen als de consument stopt op het tankstation. Het tv-programma De Rekenkamer (KRO) liet een overzichtelijk optelsommetje zien…Tankstations, brandstofprijzen

 

In het programma werd in de jongste aflevering de totstandkoming van de literprijs van benzine ontleed. De staat heeft zichzelf tweemaal inspraak gegeven bij het bepalen van de prijs: door het accijnstarief te bepalen en door daarover nog eens BTW te heffen. De Rekenkamer betaalde voor een liter benzine 1,84 euro. De rekening wordt samengesteld op basis van de ruwe olie per liter (dagprijs), het raffinageproces per liter, accijns en btw en de marge van de pomphouder. Voor de overheid is het tweemaal bingo: met de accijns op een liter gaat er 0,75 cent naar de schatkist, gevolgd door 0,32 cent BTW.

Onrust

De presentator van het programma vroeg een belastingdeskundige, uitgenodigd om een toelichting op het rekenwerk te geven, waarom de overheid nou zo’n stevige greep in de kas van de pomphouders meent te moeten doen moet. ‘Omdat de overheid op deze manier met zo min mogelijk maatschappelijke onrust, zoveel mogelijk belastinginkomsten binnen kan halen’.